VKVisie
Tijdschrift van de Vrij-Katholieke Kerk in Nederland

Home Boven Volgende

Jezus Christus en Zijn Ware Discipelen

Markus van Alphen

Dit artikel kwam tot stand naar aanleiding van een zaterdagmiddag studiecursus gehouden in Naarden. Ik ben priester Rob van Roggen zeer erkentelijk voor zijn inzet tijdens deze cursus, en in het bijzonder voor zijn inspiratie bij zijn laatste bijeenkomst aldaar, waardoor dit artikel tot stand is gekomen.

Een van de meest opvallende verschillen die de Vrij-Katholieke Kerk onderscheiden van de meeste andere kerken, is haar opvatting over Jezus, Christus en Jezus Christus, welke termen elders vaak aan elkaar gelijkgesteld en als onderling verwisselbaar gezien worden. In onze kerk hebben deze twee woorden, ieder op zich zelf gesteld en in combinatie met elkaar, een zeer afzonderlijke betekenis. In de Korte Vorm van de Heilige Mis, bijvoorbeeld, wordt het woord Jezus slechts tweemaal gebruikt, en, in beide gevallen, tezamen met het woord Christus. Verder zijn alle andere verwijzingen in de Mis naar Christus, met of zonder de titel Onze Heer. In dit artikel wordt getracht ons begrip van deze woorden te verdiepen, onder meer door de woorden te
bestuderen die uitgesproken worden vóór de Communio in de Heilige Mis.

In de oorspronkelijke1 Korte Vorm van de Heilige Mis kunnen de woorden Jezus Christus, in deze combinatie met elkaar, maar op twee plaatsen gevonden worden. In de Psalm aan het begin van de Mis: "...en zijn gebouwd op het fundament der Apostelen en Profeten: waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen..." en na de communie: "Thans hebben wij onder aardse sluier communie met onze Heer Jezus Christus; weldra zullen wij Hem met ongedekt aangezicht aanschouwen en ons verheugende in Zijne heerlijkheid, naar Zijn beeld en gelijkenis worden veranderd. Dan zullen Zijn ware discipelen door Hem met grote vreugde worden gesteld voor de heerlijkheid van Zijns Vaders Aangezicht."

De bewerking van de Heilige Mis in de vorm waarin deze vandaag de dag staat, was grotendeels het werk van twee van de stichtende bisschoppen, J.I. Wedgwood en C.W. Leadbeater. Deze immense taak werd volbracht in een periode van ongeveer drie jaar in de begintijd van onze kerk. Er worden ons vele achtergronden nagelaten in het boek van Leadbeater, De Wetenschap der Sacramenten, een boek dat het lezen zeer zeker waard is, ook vandaag de dag in de 21e eeuw. De zorg waarmee de liturgie werd voorbereid, gebruik makend van het taalgenie van Wedgwood en Leadbeaters genie om het effect ervan met wetenschappelijke nauwkeurigheid te observeren, straalt ervan af, zowel bij het lezen van de liturgie, als bij het bijwonen van de diensten. Ieder woord blijkt met aandachtige, doelbewuste precisie gekozen te zijn; om zijn poëtische waarde, zijn helderheid, zijn innerlijke betekenis en zijn innerlijke werking. Elk deel van de liturgie kan ervaren worden als een soort mantram, en een brandpunt voor een geleide meditatie die ons, in het bestek van vijf kwartier, van de diepste aarde tot de hoogste hemelen en terug voert.

De keuze van de woorden Jezus Christus in deze combinatie in de twee voormelde teksten is dan zeer zeker noch willekeurig noch per ongeluk gemaakt. De bisschoppen wisten waarom zij juist die woorden gebruikten, op dezelfde wijze waarop zij bewust het schijnbaar overtollige begrip van ware discipelen gebruikten, eveneens in de laatstgenoemde passage. Schijnbaar overtollig, aangezien men zou kunnen aanvoeren dat een discipel er één is die de discipline gehoorzaamt, en dus daardoor per definitie waar is; maar er wordt naar een diepere waarheid verwezen.

Hoe onderscheiden wij als Vrij-Katholieken deze termen? Een korte zijsprong naar de Griekse teksten is misschien verhelderend. Drie termen daarin worden in het algemeen losjes in het Nederlands vertaald in een enkel woord Christus: Christes (???st??), Chrêstos (???st??) en Christos (???st??). Het lijkt voor de hand liggend dat de Griekse auteurs niet hetzelfde bedoelden toen zij verschillende woorden gebruikten; iedere term had zijn eigen specifieke betekenis. Zoals H.P. Blavatsky het uitlegt (aangehaald door Spierenburg): "De termen Christus en Christenen, oorspronkelijk gespeld Chrêst en Chrêstians, werden geleend van de Pagaanse tempelwoordenschat. Chrêstos betekende, in die woordenschat, ‘een discipel op proef’, een kandidaat voor het hierophantschap; die, als hij het bereikte, door Inwijding, lange proeven en lijden, en gezalfd was geworden, veranderde in een Christos – de ‘gezuiverde’ in de esoterische- of mysterietaal. In het mystieke symbolisme, inderdaad, betekende Christês of Christos dat de ‘weg’, het Pad, reeds is betreden en het doel is bereikt; wanneer de vruchten van de zware arbeid, van de eenwording van de persoonlijkheid van voorbijgaande klei met de onvernietigbare INDIVIDUALITEIT, deze daardoor transformeert in het onsterfelijke EGO. ‘Aan het einde van de weg staat de Christês’, de Zuivermaker; en, de eenheid eenmaal volbracht, werd de Chrêstos, de mens van droefenis, de Christos zelf." (1987)

In de laatste zin van de aanhaling komt de essentie van de drie betekenissen van de woorden die gewoon als Christus zijn vertaald duidelijk naar voren. Christus als Wereld Leraar (Christês), de Christus in ons (Chrêstos) en Christus als het leven zelf (Christos).

Zo ook, wordt de naam Jezus door sommigen gezien als een titel, afgeleid van de Hebreeuwse naam Jehoshua, dat de ingewijde, of de goede man betekent.

De Christelijke traditie is grotendeels gebaseerd op de geschriften die nu deel uitmaken van de bijbel, maar deze waren bij lange niet de enige exoterische uiteenzettingen van het Christelijke gedachtegoed. De verhalen die verteld worden, vooral in het Nieuwe Testament, moeten gelezen worden in de context van de toen heersende tradities, waar zij in grote mate aanspraak op maken. Zij waren nooit bedoeld gelezen te worden als accurate beschrijvingen van geschiedkundige gebeurtenissen, hetgeen zij ook niet zijn. Elke historicus die deze periode van de geschiedenis bestudeert, komt zekerlijk te veel ongerijmdheden tegen om deze als louter toeval te kunnen verklaren.

Hoe werd de bijbel dan geschreven en hoe moet men hem lezen? De geschiedkundige personage van Jezus bestond zeer zeker, of hij nu onder deze naam of een andere bekend was. Zekerlijk hebben sommige van de beschreven gebeurtenissen daar feitelijk plaats gehad. Maar tussen de regels van het verhaal, er doorheen, deels verzonnen, deels op geschiedkundige feiten gebaseerd, liggen er verscheidene lagen van interpretatie verborgen. Eén van deze lagen is die van de ontwikkeling van het menselijke wezen. Een andere is er één waaraan in het algemeen gerefereerd wordt als cosmogenesis, het totstandkomen van een universum – in dit artikel wordt er hierop niet verder ingegaan – en een derde laag is het verhaal van de Wereldleraar, die kwam om de mensheid een nieuwe leer te brengen. Dit zijn de drie meest in het oog springende lagen die onderscheiden kunnen worden, al zijn er zekerlijk meer.

Dus vanuit dit perspectief laten wij trachten –al zij het gedeeltelijk – het gebruik van het woord Jezus in de Vrij-Katholieke traditie uit te leggen. Vele leden, hetzij geestelijkheid, hetzij leken, willen niet met dit woord geconfronteerd worden, omdat het ongemakkelijke herinneringen oproept aan het orthodoxe standpunt van Jezus, aan het kruis geslagen als een daad van plaatsvervangende verzoening. Puur omdat iets confronterend is, betekent het niet dat wij er niet naar mogen kijken of dat wij kunnen doen alsof het niet bestaat. Jezus is een kenmerkende figuur in de geschriften en zonder hem zou het bijbelse verhaal in deze vorm eenvoudig niet bestaan.

Geschiedkundig gezien is het een beetje gissen. Het meest waarschijnlijke verhaal kan als volgt worden samengevat: Jezus werd op natuurlijke wijze in de Esseense gemeenschap geboren. Men betoogt dat deze gemeenschap de bewaarder was van de Aloude Wijsheid en de riten in de Tempel in Jeruzalem uitvoerden. De Essenen waren bekend vanwege hun ascetische en strenge discipline en hun zuiverheid. Jezus zal in alle waarschijnlijkheid in alle tempelriten en waarschijnlijk ook in de Egyptische Mysteriën zijn ingewijd. Een mens van buitengewone ontwikkeling, maar ondanks zijn zuiverheid nochtans menselijk. Als een verlicht en hoogontwikkeld mens, is hij bereid gevonden zijn persoonlijkheid als voertuig ter beschikking te stellen aan de Wereldleraar, waarover zo dadelijk meer. Terwijl hij de nieuwe leer predikte, werd Jezus ervan beschuldigd dat hij de geheimen van de tempel prijsgaf, een lastering waarop de doodstraf stond. Dit was de reden voor zijn voortijdige dood door steniging.

Jezus betekent in werkelijkheid de goede man, en dit wordt bevestigd in het verhaal hierboven. Deze goede man vinden wij terug, nu niet meer in streng geschiedkundige zin, alswel het leidende karakter in het drama dat zich in het Nieuwe Testament voltrekt. Wanneer men het verhaal leest vanuit de optiek van de ontwikkeling van de mens, staat Jezus voor de persoonlijkheid van ieder die het pad van zuivering betreedt.

Christus is duidelijk een verschillend begrip. Laten wij beginnen met het begrip van de inwonende Christus. In onze manier van denken is ieder mens in werkelijkheid een Monade, een vonkje van het goddelijke, waarvan het afkomstig is. Dit levensprincipe is een in alle mensen aanwezige gemeenschappelijke factor, nee, in al wat gemanifesteerd is: dit levensprincipe is het Ene Leven. Al is alles aanwezig in de mens, het is latent en moet uitgerold, geëvolueerd worden, door ervaring op te doen in de werelden van vorm. Eenieder van ons is dan ook de behoeder van de inwonende Christus, waar soms aan gerefereerd wordt als het Christusprincipe, waarbij wij dat deel van onze samenstelling bedoelen dat de drager is van dit Leven. Het is het tot volmaking brengen van deze latente mogelijkheden dat van de Chrêstos een Christos maakt. Dit is een andere manier van zeggen dat het geloof in Christus eeuwig leven schenkt.

Onze Akte van Geloof leert dat allen eenmaal Zijn voeten zullen bereiken, hetgeen aangeeft, in het kort, dat alle menselijke streven dient om onze individuele greep op de verscheidene bestaansvlakken te vervolmaken. Wanneer dit niveau van volmaaktheid bereikt is, is het niet Het Einde, maar het begin van een nieuwe scala aan mogelijkheden voor verdere ontwikkeling. Alle leven gaat uiteindelijk door het menselijke rijk heen en vervolgt zijn weg in de hogere rijken. Dit leidt ons naar het aspect van Christus als Wereldleraar, hetgeen is wat wij normaliter bedoelen wanneer wij de titel "Onze Heer" toevoegen aan het woord Christus.

Dus, Christus Onze Heer, of Christus als de Wereldleraar, of de Wereldleraar, of de Christus, zijn synonieme termen die hetzelfde uitdrukken. Dit verheven wezen is er dus één, Die ook door de menselijke stadia van ontwikkeling geweest is, deze vervolmaakt heeft, en de keuze heeft gemaakt om met onze aarde verbonden te blijven om Zijn2 broeders bij te staan – die nog hier beneden worstelen – totdat zij dezelfde hoogte van ontwikkeling bereiken.

Nadat Hij volmaaktheid in het menselijke rijk bereikt had, vervolgde Hij zijn ontwikkeling totdat Hij gereed was om de functie van Wereldleraar aan te nemen. Het wordt ons voorgehouden dat Zijn voorganger, van wie Hij de functie overnam, niemand anders is dan de Heer Gautama Buddha, Die op een nog hoger plan Zijn werk voortzet.

De Wereldleraar is verantwoordelijk voor de religieuze ontwikkeling van het menselijke ras. Het is aan Hem om van tijd tot tijd de mensheid een andere uiteenzetting van de Waarheid te brengen, iedere uiteenzetting gesneden naar de maat van het temperament, het niveau van ontwikkeling, de aard en de cultuur waarin het gebracht wordt.

Om een nieuwe uiteenzetting, of dispensatie, te brengen, is het voor de Wereldleraar nodig om een of andere vorm van incarnatie aan te gaan. Niet voor zijn eigen ontwikkeling – hij heeft reeds het wiel van de geboorte en de dood in stukken gestoten – maar om de mensheid te helpen. Omdat de tijd, die door de individualiteit of ziel genomen moet worden om behoorlijk vat te krijgen op een nieuw lichaam, niet onaanzienlijk is, onderneemt een discipel vaak deze taak namens Hem, en staat toe dat zijn lichaam op een geschikt moment "overgenomen" wordt. In de Christelijke traditie, gezien vanuit de optiek van het verhaal van de Wereldleraar, wordt dit overnemen verzinnebeeld in de Doop van Jezus door Johannes.

Wanneer wij Jezus met Christus combineren, hebben wij de Wereldleraar, die zich uitdrukt door de persoonlijkheid van Zijn geliefde discipel, Jezus: stoffelijk gezien ziet men Jezus, maar degene die zich door dat lichaam uitdrukt is Christus, de Wereldleraar; vandaar Jezus Christus.

Verschillende betekenissen van Jezus, Christus en Jezus Christus
Term Ontwikkeling van de mens Wereldleraar-verhaal
Jezus De persoonlijkheid op het pad van zuivering De discipel
Jezus Christus De persoonlijkheid onder volledige aansturing van de ziel De Wereldleraar wanneer Hij gebruik maakt van de persoonlijkheid van Zijn discipel
Christus De ziel, of het inwonende Christusprincipe De Wereldleraar

Wanneer wij zeggen: Jezus Christus is de uiterste hoeksteen, bevestigen wij dat wij ons rituele werk aanvangen in de stoffelijke wereld en dat wij als uitgangspunt gebruikmaken van de begrippen die de Wereldleraar door het lichaam van Jezus ons bracht. Onthoudt dat de uiterste hoeksteen de eerste steen is die door de Maçons gelegd wordt bij het bouwen van een nieuwe tempel of kathedraal. Deze steen is gelegen aan de meest Noordoostelijke hoek van het gebouw, het Noordoosten waar de zon in symbolische zin zijn verschijning begint te maken in zijn reis van de middernachtzon –wijsheid verborgen – naar de meridiaan – wijsheid geopenbaard. Door Jezus Christus wordt de wijsheid die verborgen is geopenbaard, en dit is de grondslag van ons rituele werk.

Op gelijke wijze, aan het eind van de Eucharistieviering, wanneer wij zeggen: thans hebben wij onder aardse sluier communie met onze Heer Jezus Christus, verwijzen wij wederom naar de innige verbinding die wij tot stand hebben gebracht met de Wereldleraar, door het uitvoeren van het rituaal dat door Hem, via de persoonlijkheid van Jezus, aan ons is overgeleverd.

Het zijn de woorden die kort hierop volgen, die van extreme belangrijkheid zijn. Weldra zullen wij Hem met ongedekt aangezicht aanschouwen: hoe vaak realiseren wij ons hoe snel dat zal zijn? Na luttele minuten komt de dienst tot zijn einde, en komen wij oog in oog met onze medemens te staan. Weldra zullen wij Hem met ongedekt aangezicht aanschouwen – in de ogen van onze broeders en zusters. Hier maken wij wederom de verbinding met de betekenis van Christus als het inwonende leven, het Christusprincipe wonend in ieder en elk menselijk wezen.

Wat een schitterende overgang van de gift van de Wereldleraar naar de gift ingeschapen in ieder en elk van ons! In feite, wat wij met ongedekt aangezicht aanschouwen is de Christus in ons – de hoop op glorie –, die wij weerspiegeld zien in onze medemens: en ons verheugende in Zijne heerlijkheid, naar Zijn beeld en gelijkenis worden veranderd.

Het is interessant om in dit opzicht de overeenkomsten tussen deze woorden en die van II Korinthe 3:16-18 te bestuderen: "Doch zoo wanneer het tot den Heere zal bekeerd zijn, zoo wordt het deksel weggenomen. De Heere nu is de Geest; en waar de Geest des Heren is, aldaar is vrijheid. En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heren als in eenen spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heren Geest." Er doen zich twee interessante gegevens aan: eerstens, het middelste vers verwijst naar Pinksteren en wordt ook zo gebruikt in het bijzondere graduale voor die dag. Hierdoor ontstaat een verbinding – al zij het vaag – tussen dit stadium van de Mis en de uitstorting van de Heilige Geest bij Pinksteren. Ten tweede, de toevoeging door de woorden als in een spiegel, waardoor de verbinding met het Confiteor gemaakt wordt, wanneer wij zeggen "...een vlekkeloze spiegel mogen worden van Uw macht, en een beeld van Uw goedertierenheid".

Dan zullen Zijn ware discipelen door Hem met grote vreugde worden gesteld: terugkijkend naar het bijbelse verhaal, zien wij dat vele van de veronderstelde geschiedkundige personages misschien wel, óf niet, bestonden. In de laag van de ontwikkeling van de mens, staan deze personages symbool voor aspecten van onze samenstelling. Dit is vooral duidelijk in het verhaal van de passie, in de tuin van Gethsemane, waar de discipelen telkens weer in slaap vallen, waaruit afgeleid kan worden dat de finale stap die gezet moet worden over de afgrond, in mystieke terminologie bekend als de donkere nacht van de ziel, alleen gezet moet worden.

Net zoals er aspecten van de mens zijn die sterfelijk zijn – die welke wij tijdens incarnatie gebruiken – en daardoor tijdelijk, zijn er andere aspecten die van de ziel zijn, die onsterfelijk is. Ware discipelen kunnen gezien worden als de vruchten van deze onsterfelijke aspecten; onsterfelijk, dus werkelijk, en daarom waar. Onze ware discipelen beelden de wijsheid uit, die wij door ervaring hebben verzameld in de cyclische verblijven in vleselijk bestaan, verzameld in talloze eeuwen nu achter ons. Wanneer wij in staat zijn terug te kijken en de vruchten te zien van ons gehele streven in het licht van dit immanente Christusleven, zal het inderdaad een hoogtepunt zijn dat met grote vreugde beleefd zal worden.

Voor de heerlijkheid van Zijns Vaders Aangezicht: de opdracht is voltooid. Wanneer wij ons volledig met het inwonende Christusleven identificeren, bereiken wij het stadium van "Ik en mijn Vader zijn één". Wij worden een volkomen uitdrukking van het goddelijke leven en we maken waarlijk contact met het hoogste Zelf – onze Vader, die in de hemelen zijt.

Uiteraard zijn wij nog niet in dit stadium van onze ontwikkeling in staat om zo’n kortstondige eenwordingsbeleving vast te houden. Zelfs het bereiken – zo wij kunnen spreken van bereiken – van zo’n hoogte is bijna onmogelijk en moeilijk herhaalbaar. Dat is de reden waarom wij blijven oefenen! De belangrijkheid van de Eucharistieviering is voornamelijk om positieve, behulpzame invloeden uit te storten over de wereld om ons heen, en in tweede instantie om onszelf op te leiden om een beter instrument te worden in de hand van ons hoogste zelf, dat natuurlijk niet van ons is, maar het Zelf is dat wij stamelend God noemen...

Literatuur
1987, Spierenburg, H.J., The New Testament Commentaries of H.P. Blavatsky, Point Loma, ISBN 0-913004-51-0, pp. 164-165.

Noten
1. De Engelse liturgie geldt in de Vrij-Katholieke Kerk als de officiële tekst. In dit artikel is de vertaling van 1924 gebruikt, daar het de meest getrouwe, al zij het enigszins ouderwetse, vertaling is. In de moderne Nederlandse vertaling ontbreekt het woord Jezus in de psalm en het woord ware in de tekst voorafgaand de Communio. Blijkbaar is door GES 2000 in dit laatstgenoemde tekstdeel het woord Jezus –mijns inziens onterecht – in de officiële (Engelse) liturgie geschrapt. Dit heb ik echter nog niet kunnen bevestigen.

2. Wij gebruiken gemakshalve de mannelijke vorm, waarbij wij het bijbelse verhaal volgen. Streng gesproken is de menselijke individualiteit of ziel mannelijk en vrouwelijk, doch noch mannelijk, noch vrouwelijk. De individualiteit drukt zich periodiek uit, iedere keer voor de poos terwijl het in incarnatie is, in een mannelijke of een vrouwelijke persoonlijkheid. Al is het zo dat de Wereldleraar toevallig een mannelijk lichaam gebruikte, maakt dit "hem" niet mannelijk! Hetzelfde principe gaat op voor het gebruik van het woord broeders.

 

Zoek op Deze site email VKVisie
Kerkgemeentes in Nederland

Home pages op Kingsgarden.org: English French Dutch